Ik heb een cliënt begeleid met verschillende lichamelijke en psychische problemen. Door zijn psychische klachten had meneer een ongezond copingmechanisme ontwikkeld om met moeilijke situaties en spanning om te gaan. Hij vond het lastig om confrontaties aan te gaan en vermeed deze liever. Wanneer de spanning voor hem te hoog opliep, kon hij zichzelf slaan. Zijn echtgenote voerde daarom meestal de gesprekken met zorgverleners en nam veel beslissingen voor hem.
In de periode dat ik bij meneer en zijn echtgenote kwam, ontstond er met beiden een goede vertrouwensband. Doordat ik langere tijd bij meneer kwam, leerde ik hem steeds beter kennen. Ik kreeg meer zicht op zijn problemen, hoe hij hiermee omging en hoe hij spanning en emoties uitte. Hierdoor begreep ik beter waarom meneer op bepaalde situaties reageerde zoals hij deed en kon ik hier in mijn communicatie rekening mee houden.
Omdat ik meneer maanden tot jaren meemaakte, zag ik ook veranderingen die je tijdens een kort contact minder snel opmerkt. Hij werd steeds vaker opgenomen in het ziekenhuis. Na een behandeling had hij steeds meer moeite om te herstellen. Zijn lichaam had meer tijd nodig om weer op krachten te komen. Zijn hart en longen moesten steeds harder werken, terwijl de oorzaak van zijn chronische bloedarmoede niet werd opgelost. De bloedtransfusies waren noodzakelijk vanwege zijn bloedarmoede, maar vormden tegelijkertijd een extra belasting voor zijn hart en longen. Ik zag dat zijn bloedwaarden steeds sneller daalden en dat hij steeds vaker een transfusie nodig had. Ook het herstel na een opname of transfusie werd steeds zwaarder. Hierdoor zag ik over de tijd heen dat hij steeds minder reserve had en dat het steeds moeilijker werd om de behandelingen vol te houden.
Zijn echtgenote was voor meneer een belangrijke steunpilaar. Zij wilde hem beschermen tegen spanning en moeilijke situaties en nam daarom veel gesprekken met zorgverleners van hem over. Ik begreep waarom dit voor beiden werkte. Voor meneer was het prettig dat zij hem hierin ontlastte en voor haar was het belangrijk om voor hem te kunnen zorgen.
Tegelijkertijd merkte ik dat meneer hierdoor in gesprekken niet altijd zelf zei wat hij vond of wilde. Hij vertrouwde op zijn echtgenote en had zelf moeite met confrontaties. Ik begreep dat hij haar niet wilde belasten of verdrietig wilde maken. Zeker omdat zij grote moeite had met het idee om hem te verliezen, zag ik dat het voor meneer steeds moeilijker werd om aan te geven wat hij zelf nog aankon en wilde.
Daarom lette ik tijdens de zorgverlening steeds beter op zijn reacties en mimiek. Wanneer ik merkte dat iets hem raakte of spanning opriep, vroeg ik hem rechtstreeks wat hij er zelf van vond. Ik vroeg bijvoorbeeld of hij het nog zag zitten en of hij het allemaal nog kon volhouden. Tijdens deze momenten, zonder dat er meerdere zorgverleners bij aanwezig waren, lukte het hem beter om zich uit te spreken.
Op een moment gaf meneer aan dat hij het niet meer zo kon volhouden. Ik vond het belangrijk om dit serieus te nemen, omdat dit iets vertelde over hoe hij zijn situatie zelf ervaarde. Tegelijkertijd moest ik zorgvuldig blijven. Ik kon benoemen wat hij tegen mij had gezegd en wat ik bij hem zag, maar ik kon niet voor hem bepalen wat de juiste keuze was.
Ik heb dit daarom besproken met de huisarts. De huisarts had al meerdere gesprekken gevoerd met meneer en zijn echtgenote over zijn situatie, de vele ziekenhuisopnames en de toekomst. De huisarts had veel moeite gedaan om de ernst van de situatie en de mogelijkheid van het stoppen van behandelingen bespreekbaar te maken. Zijn echtgenote had hier veel moeite mee. Ondanks deze gesprekken lukte het nog niet om samen tot een duidelijk beeld te komen.
Tijdens wat later zijn laatste ziekenhuisopname bleek te zijn, werd ik vanuit het ziekenhuis gebeld. De artsen wilden met meneer en zijn echtgenote bespreken hoe de situatie ervoor stond. Meneer had aangegeven dat hij graag wilde dat ik bij dit gesprek aanwezig was. Ik heb dit met zijn echtgenote besproken en voorgesteld om samen naar het ziekenhuis te gaan.
Toen we op de kamer kwamen, was meneer erg benauwd en uitgeput. De arts kwam samen met twee verpleegkundigen binnen en legde uit dat zijn hart en longen de behandelingen uiteindelijk niet meer zouden kunnen verdragen. De bloedtransfusies waren steeds vaker nodig en het was niet meer haalbaar om hiermee door te gaan.
Zijn echtgenote werd emotioneel en boos. Zij vroeg: “Waarom geeft iedereen het op?” en “Moeten we hem dan maar gewoon laten sterven?” Ik bleef bij haar zitten, hield haar hand vast en luisterde naar haar emoties. Daarna heb ik in rustige woorden opnieuw uitgelegd wat de arts had verteld. Ik probeerde haar niet van een keuze te overtuigen, maar wilde ervoor zorgen dat zij begreep waarom de arts aangaf dat meneer zijn lichaam de behandelingen niet meer aankon.
Tegelijkertijd wist ik wat meneer eerder tegen mij had gezegd. Ik kon daarom ook benoemen dat hij zelf had aangegeven dat hij het niet meer kon volhouden. Ik deed dit niet om namens hem een beslissing te nemen, maar om ervoor te zorgen dat zijn eigen woorden onderdeel bleven van het gesprek.
Meneer bleef tijdens het gesprek rustig en zei weinig. Uiteindelijk gaf hij zelf aan dat het voor hem genoeg was geweest. Zijn echtgenote keek hem aan. Ze hielden elkaar vast en kusten elkaar. Op dat moment leek zij beter te begrijpen hoe ernstig de situatie was en dat meneer dit zelf niet meer kon volhouden.
Na het gesprek heb ik aan de arts gevraagd of het mogelijk was om meneer nog één laatste bloedtransfusie te geven. Mijn gedachte was dat meneer en zijn echtgenote dan nog samen naar huis konden gaan om op een voor hen passende manier afscheid te nemen. De arts heeft dit besproken en hiermee ingestemd.
Als ik terugkijk op deze situatie, zie ik dat communicatie in deze casus meer was dan goed luisteren. Doordat ik meneer langere tijd kende, kon ik veranderingen in zijn gedrag, spanning en lichamelijke toestand herkennen. Ik leerde ook wanneer ik moest doorvragen om te horen wat hij zelf vond of wilde.
Daarnaast moest ik steeds zoeken naar een goede balans tussen meneer en zijn echtgenote. Zij was voor hem een belangrijke steun en haar emoties konden daarom niet buiten het gesprek worden gehouden. Tegelijkertijd vond ik het belangrijk dat meneer zelf niet uit beeld raakte. Zijn afhankelijkheid van haar en zijn moeite met confrontaties maakten het voor hem moeilijk om zijn eigen grenzen uit te spreken.
Ik heb in deze situatie geleerd dat ik als verpleegkundige soms moet helpen om iemands eigen woorden zichtbaar te maken wanneer iemand deze moeilijk zelf kan uitspreken. Daarbij moet ik goed blijven onderscheiden tussen wat iemand daadwerkelijk heeft gezegd, wat ik bij iemand observeer en wat mijn eigen interpretatie is. Door deze grenzen te bewaken kon ik meneer ondersteunen zonder voor hem te beslissen.
Deze situatie heeft mij geleerd dat goede communicatie ook betekent dat je moeilijke onderwerpen niet uit de weg gaat. Ik heb geleerd om door te vragen, ruimte te geven aan emoties en medische informatie begrijpelijk te maken. Ook heb ik ervaren dat je soms moet kunnen verdragen dat je een situatie niet kunt oplossen. In deze situatie kon ik de beslissing niet voor meneer of zijn echtgenote nemen. Ik kon er wel voor zorgen dat zij met elkaar en met de zorgverleners in gesprek konden blijven en dat de stem van meneer daarin niet verloren ging.